home





Het verhaal van Zeeuws-Vlaanderen

leesfragment:

De moloch van de groot-industrie

Wel plannen, geen centen. Zo staat Zeeuws-Vlaanderen er voor in het midden van de jaren '50. Ontredderd, platgebombardeerd, onder water gezet en door de zee overstroomd. De gevolgen van crisis, oorlog en watersnood tekenen nog het dagelijks leven. Willem Drees beheert de nationale schatkist en Nederland leidt een zuinig, ordelijk bestaan. Mede dankzij 3500 miljoen gulden aan Marshallhulp uit de Verenigde Staten heeft Drees het land er weer bovenop gebracht. In de naoorlogse jaren ronkt in het Rotterdams havengebied de motor van de herrijzende economie.

Voorzichtig proeft Nederland van de eerste luxe. Een eerste supermarkt in Rotterdam, een Solex, een Daf 600 die volautomatish schakelt en wel 90 kilometer per uur kan halen.
Veranderingen, de luxe van vrije tijd. Ook in Zeeuws-Vlaanderen? Willem Blok uit Terneuzen: "We droomden een beetje en genoten van nieuwe dingen. De geneugten des levens bereikten de gewone man; een brommer, een autootje." Zeeuws-Vlaanderen leeft van een boterham met tevreden-heid. De streek lijkt weer te worden zoals het was: het kleinschalig huis van ÈÈn grote familie. De meeste van de eenendertig gemeenten hebben het druk genoeg om de begroting sluitend te krijgen, laat staan dat ze zich druk maken over de toekomst. De sluitingstijden van het badhuis, het ophalen van de faecaliÎntonnetjes, de elektrificatie van de straatverlichting in de buitengebieden staan hoger op de agenda.

In Zeeuws-Vlaanderen woont een bevolking van boerenknechten, ambachtslieden, keuterboeren, dorpsbestuurders, grote boeren, handelaars, schoolmeesters, dominees en pastoors. Het is een hard labeurend volk. De landarbeiders werken zes dagen in de week, van zes tot zes, van licht tot donker. De industrie in de Kanaalzone en de textielbedrijven van Oost-Zeeuws-Vlaanderen geven werk aan een min of meer stabiele groep fabrieks-arbeiders. De textielindustrie van Oost-Zeeuw-Vlaanderen is een geschenk van de Grote Oorlog (1914-1918). Traditiegetrouw bijna komt het initiatief uit België.
België is immers bezet, maar door bedrijfsvestiging net over de grens in Nederland kunnen Belgische ondernemers hun exportmarkten blijven bevoorra-den. De textielnijverheid, de tricotage, vindt zijn herkomst in de huiselijke breinijverheid in het aangrenzende Land van Waas in Oost-Vlaanderen.

Na de Tweede Wereldoorlog stagneert de textielbranche, al produceren de honderdtwintig arbeiders van de 'wolfabriek' Behaegel-De Nijs jarenlang nog jumpers en vesten. Dan is er nog de kleine nijverheid: de klompenmakers, wagenmakers en maalderijen. En natuurlijk de aloude limonadefa-briekjes en bierbrouwerijen. Brouwerij De Halve Maan in Hulst bijvoorbeeld, waar al sinds 1822 in een oud kloos-ter van de Minderbroeders 'bovengistend' Javabier gebrouwen wordt. In het Land van Hulst bestaat al sinds de veertiende eeuw de vlasindustrie, maar in de velden tussen Sint-Jansteen en Koewacht hebben de plukmachines de handenarbeid vervangen.

Veel van de kleine vlasserijtjes verdwijnen kort na de oorlog, omdat ze investeringen in nieuwe technieken niet meer aan kunnen. Vlasbedrijven die het overleven, breiden uit en laten zelf vlas verbouwen in de nieuwe Zuiderzeepolders. Deze ondernemers zijn de eersten die in auto's door Heikant en Koewacht rijden. Het zijn enkelingen. Het vlascentrum Koewacht heeft een donderdagse vlasmarkt en er is een Vlassersschool geopend, maar in het begin van de jaren '50 loopt het aantal leerlingen terug en in 1959 gaat de school dicht. Het land aan de grenskant lijdt in stilte. Nog tot 1960 trekken jonge echtparen uit Heikant als landarbeiders naar de Schermer en de Purmer. Thuis is er geen werk. Van april tot oktober lang passen opa en oma op de achterblijvende kinderen. Naar Noord-Holland!

In Oost-Zeeuws-Vlaanderen zijn kasseien en maca-dam een gangbare bestrating. Het gebied telt in 1955 in totaal 158 kilometer onverharde weg. Terwijl het nog donkert, gaan de landarbeiders naar de akker, te voet, een lantaarn in de hand, over de bijna onbegaanbare slijkwegen. Soms moeten ze hun klompen zoeken omdat die in de modder zijn blijven steken. Geen wonder dat 'rimmetiek van 't vocht' als een beroepsziekte wordt beschouwd. In de oogsttijd wandelen ze op zondag langs de akkers om te kijken hoe de hooioppers erbij staan. De boerderij is hun wereld, een sociaal ontmoetings-punt ook. Die wereld is klein en overzichtelijk. Wie een keer uitgaat, komt niet verder dan 'de markt' of 'de stad': Terneuzen, Hulst, Axel of Oostburg. Zorgen hebben ze wel, want steeds meer wordt hun werk overgenomen door machines. Westelijk van Terneuzen maakt in 1952 een dijk door de Braakman een einde aan de eeuwenoude erfscheiding tussen Oost- en West-Zeeuws-Vlaanderen.

Op een zonnige dag in het voorjaar van dat jaar vaart de garnalenschuit van schipper Staf Praet uit Nieuw-Namen nog een keer de Braakman binnen. Terugkerend naar de Westerschelde is het gat in de afsluitdam nog maar een paar meter breed. Tegen zijn knecht zegt hij, wijzend op de vangst: "Ziezo, 'k zijn de lesten die door 't gat gaat, maar wel mèè een ferme kluts gjernaet." Door het Kanaal van Gent naar Terneuzen varen de zeeschepen heen en terug. Bewoners van het gehucht De Zeven Uusjes 'keuren' op zondag langs het kanaal met de kinderen. Terwijl België klaagt dat het te smalle kanaal de Gentse haven wurgt, blazen bij oostenwind de laatste stoomschepen de kinderwagens vol roet. De schepen stoken de vuren op als ze de sluis verlaten, en juist daar ligt De Zeven Uusjes. Doordeweeks hangen er nogal eens beroete lakens aan de lijn als er een kapitein kracht op de schroef zet. In de Kanaalzone roken de schoorstenen van de fabrieken. Dertig procent van de werknemers komt uit België. In de seizoen-industrie, de suikerfabrieken in Sas van Gent, ligt dat percentage nog hoger: tot 75 procent.

Zeeuws-Vlaanderen leeft van een boterham met tevredenheid. In herberg 'In Den Stroopuit' in de buurtschap Stroopuit drinkt kroegbaas A. Plasschaert een borrel van eigen tap

Een paar oorzaken:
-Zeeuws-Vlaanderen kan zelf nog niet voldoende industrie-arbeiders leveren. Technisch personeel is er niet omdat de opleidingen ontbreken. Een Zeeuws-Vlaming op een fabriek is voorbestemd om in een overall te beginnen.
-De industrie in Sluiskil en Sas van Gent is lange tijd een vreemd element in de streek geweest. Belgische, Franse en Italiaanse investeerders financierden deze industrialisatie. Ze drukten lang hun stempel op de dagelijkse leiding, maar hebben zich niet laten opnemen in de sociale structuur van de streek.
De Terneuzense pastoor J. van Campen beschrijft dat in 1957 zo: "De buitenlandse leidinggevenden brachten hun eigen sociale en godsdienstige opvattingen mee, die vaak strijdig waren met de gevestigde opvattingen in de streek. De bevolking was niet industrie-minded. De industrialisatie werd als een noodzakelijke bedreiging van de heersende godsdienstig-zedelijke normen gezien en het gedrag van volksvreemde elementen in de industrie gaf zeker aan de geestelijke leiders die zuiver agrarisch georiÎnteerd waren, ook geen aanleiding zich over die schroom heen te zetten. Het gevolg was een overstroming met Belgische arbeiders."

Nooit is de industrialisatie er gestimuleerd. In 1950 beschrijft de planologische dienst van de provincie Zuid-Holland heel Zeeland als "een ongebruikte leegte." En in oktober 1954 concludeert het Alge-meen Handelsblad: "Nederland heeft Zeeuws-Vlaanderen als industrieterrein tot nu toe verwaarloosd. Van de bedrijven die aan het kanaal liggen zijn er slechts twee met Nederlands kapitaal opgericht. Het is een Nederlands en Zeeuws belang dat Zeeland meer industrie krijgt. Zeeuws-Vlaanderen is voor de industrie beter gelegen." In het oosten de landbouw en kleine nijverheid, in het westen een opkomend toerisme en in het midden van Zeeuws-Vlaanderen een weinig dynamische industriezone met aan de monding van het Kanaal van Gent naar Terneuzen, 'een haven van planken en hutjes' zoals iemand dat achteraf uitdrukt. Dat is Zeeuws-Vlaanderen in het midden van de jaren '50.

Toch nadert, op kousevoeten, een nieuwe tijd. Op een dag in het najaar van 1955 komt in het kantoor van de Waterleidingmaatschappij Zeeuwsch-Vlaanderen een klein gezelschap bij elkaar. Één van hen is de uit Zeeuws-Vlaanderen afkomstige gedeputeerde ir. G.P.M. Dikötter. Hij wordt de voorzitter van een kleine club van denkers die voortaan door het leven zal gaan als de Commissie Kanaalzone. Secretaris van die commissie is Willem Blok, in het dagelijks leven een in stofjas geklede ambtenaar op de afdeling loonadministratie van de gemeente Terneuzen. Zijn baas, burgemeester Tellegen maakt zich twee jaar na De Ramp nog drukker over de dreiging van het water dan over een industriÎle toekomst. Mr. P.H.W.F. Tellegen is sinds 1936 burgemeester van Terneuzen met enkele jaren onderbreking tussen 1941 en 1945. In zijn nieuwjaarsspeech van 1955 vraagt hij zich af "of het niet te betreuren valt, dat bij het Deltaplan de afsluiting van de Westerschelde niet is onderzocht. Waarschijnlijk zou ook de haven van Gent daarvan in niet geringe mate hebben geprofiteerd."

Tellegen ziet de Westerschelde als een nukkige, bochtige en beweeglijke stroom die als breed kanaal met sluizen bij Vlissingen nuttiger en veiliger is. De generatie bestuurders die Terneuzen door de jaren '50 loodst, denkt traditioneel havengericht, vervol-gens agrarisch en dan pas industrieel. Terneuzen is allereerst een havenstad en dat moet zo blijven, vinden de plaatselijke bestuurders. Directeuren van de havenbedrijven dicteren, traditioneel investe-rend, de grenzen van de lokale maritieme economie. In november 1957 hangt er een loodzware mist boven Zeeuws-Vlaanderen. Uit de sloot die dwars door Sluiskil loopt stijgen zwavelachtige dampen op die in het dorp blijven hangen. Het Terneuzense PvdA-gemeenteraadslid Richard Hol beschrijft de situatie beeldend op 19 december 1957: "Door Sluiskil stroomt een open afvoerleiding waarin de suikerfabrieken te Sas van Gent hun afvalwater spuien, waarin kadavers drijven en waar de ratten kermis vieren. In de mist blijft de damp in walgelijke wolken hangen. Nieuwe verf wordt zodanig aangetast dat Sluiskil verveloos wordt als een verlaten stad."

Het leidt tot intensief en langdurig overleg met de industrie in de Kanaalzone. Er komt een afvalwater-leiding, een milieu-project als aanloop tot verdere industrialisatie. In Terneuzen rijpt langzaam het besef dat er iets moet gebeuren met de regionale economie. Willem Blok: "Het economisch leven stond hier een beetje stil. De haven van Terneuzen was te klein, het kanaal te smal. Er was geen ruimte voor nieuwe bedrijven en de boeren bleven maar mensen ontslaan. Je zag dat het zo niet verder kon." Honderden landarbeiders worden als werkloos geregistreerd. 'Arbeidsreserve' heet het in de overheidsrap-porten uit die dagen. Naoorlogs Nederland mag dan bloeien, beneden de Wester-schelde gaat het slecht. Aan de grenskant bloeit een ambacht, dat werk geeft aan Zeeuws-Vlamingen met 'den deugniet in hun lijf': smokkel. Gedreven door armoe sjouwen ze in donkere nachten met boter de grens over. Eerst op hun rug, later in vrachtwagens, soms op twee wielen bollend om de douaniers, 'de kommiezen', van zich af te schudden. Op het eind van de jaren '50 mondt deze stiel uit in een climax van felle schermutseling met rookbom-men, kogels en kraaienpoten. "Er bleef niets anders over dan te gaan smokkelen, want anders waren we na de oorlog versteven van de honger." Ran de Maaijer, zoon uit een gezin van tien kinderen uit Nieuw-Namen, heeft er menigmaal voor 'in den bak' gezeten: "Op het eind was 't niet leutig meer, want die kommiezen probeerden je hersens door de voorruit te schieten."

Het provinciaal bestuur stelt een industriepromotor aan. Beneden de Westerschelde wordt het ComitÈ Welvaart Zeeuws-Vlaanderen opgericht. Voorzitter is 'een overkanter': Commissaris van de Koningin mr. A.F.C. de Casembroot. In april 1959 herziet Nederland zijn industrialisatiebeleid. Tot die tijd is het vooral gegaan om bestrijding van werkloosheid, maar vanaf 1959 gaat het om spreiding van industriële activiteiten door heel het land. Minister De Pous trekt er 7,5 miljoen gulden voor uit. Dat geld moet verdeeld worden over 50 gemeenten. De nieuwe industriële groeipolen krijgen elk dus 150.000 gulden als begin van een reeks stimulerende maatregelen. Zo wordt Terneuzen ontwikkelingskern. Dat betekent dat de stad voorrang krijgt bij industrievestigingen.

De kas van de gemeente Terneuzen bekijkend, lijkt het niet het goede moment voor de grote sprong voorwaarts. "Het woord wanbeheer is niet misplaatst", vindt het raadslid Henry als hij in december 1959 de begroting bekijkt en het tekort van 240.017 gulden ziet. Een grotere haven prima, dat gaat er wel in, maar industrie? Het KVP-raadslid Camps heeft er al in 1957 tegen gewaarschuwd: "Bij de suggesties om groot-industrieÎn aan te trekken, vraag ik me af of zo'n vestiging niet een gevaar betekent voor de streek. Het onttrekt goede cultuurgrond aan de landbouw. Door de invloed op het streekeigene zullen we er zeker verlies door lijden. Moet nu werkelijk alles worden opgeofferd aan de moloch van de groot-industrie? Men leeft toch niet bij brood alleen?"

Paul de Schipper

Uitgeverij: Drukkerij Van Maele, Brugge.

Fraai vorm gegeven boek. 193 pagina's met tientallen illustraties, kleur- en zwart-witfoto's. Prijs: 30 euro, inclusief verzendkosten.

Alleen nog verkrijgbaar via e-mail: info@orisant.com

 

 





All Rights Reserved Paul de Schipper 2000