Kees Slager en Paul de Schipper
Fragment hoofdstuk 3
Armoede
"Op die scheepjes stond niet voor niks ARM"
De vissers van het zuidwesten zijn altijd arm geweest. Rijke reders
vind je in deze streken bijna niet. Het merendeel bestaat uit
kleine zelfstandigen met één scheepje, totaal overgeleverd
aan de grillen van moeder natuur en aan de al even onberekenbare
'markt'.
Tijdens de grote crisis in het midden van de 19e eeuw levert
het vissen zo weinig op, dat velen gedwongen zijn om hun vaartuig
te verkopen. Ze voegen zich bij het legertje mannen en vrouwen
dat met een mand vol vis en garnalen langs de deuren gaat.
Anderen proberen werk te vinden als landarbeider of als sjouwerman.
Lukt ook dat niet dan komen ze terecht in de 'armenfabrieken'.
Dat zijn katoen-weverijen die in enkele gemeenten worden opgericht
om armoe en werkeloosheid te bestrijden.
De omstandigheden in die fabriekjes zijn erbarme-lijk. Dr. Samuel
Coronel, een van de grondleggers van de sociale geneeskunde in
Nederland, werkt in die tijd in Middelburg. In 1861 verschijnt
het boek, waarin hij verslag doet van een 'onderzoek naar den
zedelijken, verstandelijken en lichamelijken toestand der calicotsfabrieksarbeiders
in Zeeland'. Het is één grote aanklacht.
Maar ook het lot van de vissers, die niet in de fabriekjes terechtkomen
is treurig, zo rapporteert Coronel: "De moedige, nijvere
visscher is tot een tragen, ellendigen garnalenleurder ontaard.
Nog toont hij in zijne rijzige gestalte ,in zijne breede schouders,
in zijn forsche gelaatstrekken van welk ras hij afstamt, maar
hij is niet meer dan ene kolossale ruïne, die bij den minsten
stoot ineenzakt."
Arend
van Dam ervaart de armoede aan den lijve: "Stellendam is
een vreselijk arm dorp geweest. 't Zag er zwart van de armoede,
ook bij ons thuis. Het is wel geweest dat we geen meel konden
kopen voor 't varkentje. Dus dan ging je maar stelen: een mandje
suukerpeeën halen op de kaai. Zulke din-gen. Ja jongen, 't
is niet anders: nood, dat weet je, maakt slechte mensen."
"D'r waren er genoeg hier op De Paal, vissers- knechts,
die twee of drie gulden per week hadden", weet Frans Teenaert.
Behalve die paar gulden krijgen ze dan wel de kost aan boord.
Maar als het in de winter afgelopen is met de visserij, kunnen
ze naar huis en hebben ze helemaal geen inkomen: "Die mensen
leefden van stropen en van de zee en van 'n hofje achter hun huis.
Ze sprokkelden hout en aten zeekraal en lamsoor van het schor.
Zo bleven ze in leven, elk jaar weer."
De vissers van de Moerdijk zitten niet alleen 's winters zonder
werk (en geld) maar ook in april en mei. Cor van Leest: "Dan
mocht je niet vissen omdat het paaitijd was. Alleen op paling
was geen verbod, maar die was dan nog niet te vangen. In die maanden
probeerde je bij de scheepswerfjes aan de slag te komen, want
in de 'besloten tijd' werden daar nog wel eens schepen schoongebikt.
En als 's winters de rivier dicht zat met ijs, hakten we een bijt
en gingen simmen. Zo probeerde je dan nog wat spiering te vangen."