|
Orisant
Het boek
Het begin
Links
Abonneer
je
op de gratis
nieuwsbrief
Boeken
van zelfde schrijver
|
|
Hoe we vroeger dijken bouwden
Een kind op het strand kan het al. Een emmertje, een schep,
wat los zand en kijk, daar hebben we het begin van Nederland,
een dijk. Het lijkt simpel. Toch is dijken bouwen iets ingewikkelder.
In achthonderd jaar tijd hebben onze voorouders het bouwen
van dijken tot een wetenschap gemaakt. Nederlanders weten
niet beter dan dat ze in een land van dijken wonen. Dat is
niet altijd zo geweest. Ver voor het jaar 1000 zijn we hier
gekomen als immigranten. Om te voorkomen dat we natte voeten
kregen, deden we wat kinderen op het strand nu ook nog doen:
een heuvel bouwen.
Stel je het landschap voor. Geen torens of GSM-masten die
het uitzicht belemmeren. In de vlakke wildernis van slikken,
schorren, kreken en moerassen alleen hier en daar een woonterp.
Daar trokken de mensen, de koeien, de schapen en de andere
have zich terug als het water kwam. Midden op de heuvel was
vaak een put uitgegraven waar zich regenwater verzamelde:
het drinkwater voor mens en mee. Iemand heeft op een dag de
dijk 'uitgevonden'. Recente vondsten in Friesland duiden er
op dat de eerste dijken daar wellicht al rond het jaar 1000
werden gebouwd. Rond het jaar 1170 pasten bewoners van het
eiland Kadzand, voor de kust van West-Zeeuws-Vlaanderen voor
het eerst een nieuwe techniek van landaanwinning toe.
Op aanslibbende schorren wierpen ze dijken op die het water
zeewaarts moesten dwingen. Het land achter de dijken noemden
ze een polder. Dijken? De dijk rond het eiland Kadzand was
niet veel hoger dan de dakgoot van een woonhuis, ongeveer
drie meter. Hoe de mensen in die tijd de grond voor en dijk
bij elkaar kregen? Zoals de Chinezen het nu soms nog doen.
Graven met schoppen, de aarde in manden vervoeren of op draagberries:
een man voor, een man achter. En tussen hen in gedragen een
houten bak met aarde. Later deden de kruiwagens en door paarden
getrokken karren hun intrede. Al snel ontwikkelde de dijkbouw
zich tot een vak, waarbij de kennis van vader op zoon werd
overgedragen. Met de dijk deden begrippen als dijk- en oeverval
hun intrede, in de Middeleeuwen met een mooi woord ook 'grondbraak'
genoemd. Immers bij laagwater, als er geen druk op de dijkvoet
stond, gebeurde het dat het onderlichaam van de dijk spontaan
wegblubberde in de geul. Vaak ging dat met een donderend lawaai,
een soort onweer, gepaard. Verdween de dijk helemaal in het
diepe dan zat er niets anders op dan het gat 'buiten te dijken'.
Landinwaarts werd dan in een halve ring een nieuwe dijk aangelegd,
een vingerling. De man die als eerste de kennis over de bouw
van dijken verzamelde en op papier zette was dijkgraaf Andries
Vierlingh uit het West-Brabantse Steenbergen. Hij schreef
rond 1570 het Tractaet van Dijckagie. Dat is het eerste standaardwerk
van de Nederlandse waterbouwkunde geworden. In de tijd van
Vierlingh had de bouw van een dijk zich ontwikkeld tot een
gecompliceerde technische operatie, waarbij honderden en soms
duizenden arbeiders werden ingeschakeld. Veel van die dijkwerkers
kwam, ook in Vierlinghs' tijd, uit de regio die nog altijd
als een bakermat van de Nederlandse waterbouw geldt: de Alblasserwaard
met als kernen Sliedrecht, Hardinxveld en Kinderdijk. Hadden
de landmeters het te bedijken schor verlaten, dan arriveerde
het dijkleger. Aannemers die elk over een ploeg werkvolk beschikten,
kregen een dijkvak van tachtig meter toegewezen. Eerst werd
er aan de zeezijde een dammetje opgeworpen. Dat heette de
achterkade. Het moest de 'bouwput' beschermen tegen instromend
water. Haaks op de achterkade werden om de 240 meter ook dijken
gebouwd: de haagkaden. Die moesten voorkomen dat bij een onverhoopte
doorbraak van de achterkade de bouwput vol zou lopen.
De bouwput werd weer onderverdeeld in schaapstallen. Spekgladde
dammetjes waarop twee kruiwagenvoerders elkaar net konden
passeren scheidden die schaapstallen van elkaar. De aannemers
die elk over een eigen ploeg dijkwerkers beschikten, kregen
elk een aanbesteding van 80 meter toegewezen. Het werk begon
langs de hele dijkring gelijktijdig zodat men op hetzelfde
moment op hoogte was. Waarom kregn de aannemers niet meer
dan 80 meter? Simpel omdat aannemers en hun werkvolk niet
tot de braafste lieden behoorden. Ze durfden rustig een dood
paard of een uit elkaar gevallen wagen in de dijk te begraven.
Hadden ze wat geld gekregen, dan gingen ze er dikwijls vandoor,
vooral in de zomermaanden als het oogsttijd was. Het boerenwerk
betaalde immers beter.
Ging een aannemer er vandoor dan kon het werk makkelijk door
anderen opgevangen worden. Zo voltrok zich in de zestiende
en zeventiende eeuw de bouw van Nederlandse dijken. Zo werd
ook het eiland Orisant in de monding van de Oosterschelde
ingepolderd.
|
|
De
schemering
van de Schelde
Vissen naar
geschiedenis
De tijdmachine
van Kats
Iran aan de
Oosterschelde
Een wriemelend
zootje
|