|
Orisant
Het boek
Het begin
Links
Abonneer
je
op de gratis
nieuwsbrief
Boeken
van zelfde schrijver
|
|

Andries
Vierlingh, de vader aller dijkenbouwers
"De meeste dijkgraven zijn eigenwijze botterikken, slaven
van sleur en gewoonte, gemakzuchtige ijdeltuiten en eigenbaatzoekers
wier jaarwedden boven alles gaan." Veel van deze lieden
hebben van hun levensdagen geen eb of vloed gezien. Ze
hebben van het dijkwezen evenveel verstand als van een
zeug met lepelen te eten." Wie hier aan het woord is?
Geen provocerende actievoerder, maar hooggeachte zestiende
eeuwse notabel. Deze zinnen vloeiden uit de pen van de
West-Brabander Andries Vierlingh, een man die door zijn
geschreven werk bekend is geworden als de vader van onze
dijkenbouwkunde.
Fel ageerde hij tegen de wantoestanden bij het dijkbeheer
van zijn tijd. Vervolgens schreef hij op zijn oude dag
een meesterwerk waarin stond hoe het wel moest. Tijd voor
een bescheiden digitaal standbeeld. Wie was Vierlingh?
Eigenlijk weten we weinig van hem. Zijn naam kennen we
bij toeval. Omdat hij op een stuk door hem geschreven
tekst de aantekening achterliet: "advijs van den rentmeester
van Steenberghen, Andries Vierlingh." Vierlingh is bekend
worden door zijn boek Tractaet van Dijckagie. Dat is in
later eeuwen zo ongeveer de bijbel van de Nederlandse
waterstaters geworden. Andries Vierlingh moet rond 1507
geboren zijn, vermoedelijk in Steenbergen in West-Brabant.
Vierlingh was achtentwintig jaar lang rentmeester en dijkgraaf
van de achtereenvolgende prinsen van Oranje. Ook was hij
in 1536 en 1537 stadsbestuurder, schepen, van Breda.
In 1530 hielp hij bij het dichten van gaten in de havendijk
van Middelburg. In datzelfde jaar trok hij rond in het
verdrinkende Land van Reimerswaal. Hij was actief bij
de bedijking van Klundert en bij verschillende andere
inpolderingen en zeewerende werken. Ook vanuit Zuid-Holland
en West-Friesland deed men een beroep op de kwaliteiten
van Vierlingh. Op zijn oude dag zette hij zich aan het
schrijven om zo zijn technische kennis aan latere generaties
over te dragen. Het werd een handschrift van 6 centimeter
dik, 33 centimeter lang en 22 centimeter breed, 276 met
de hand beschreven bladen. Vierlingh spaarde de dijkenbouwers
van zijn tijd niet. Genadeloos legde hij een systeem bloot
waarbij lieden die ongeschoold waren in de waterstaatkunde,
als gunsteling van hoge heren in het ambt van dijkgraaf
terechtkwamen: de zeugen die niet wisten van met lepelen
te eten. Volgens Vierlingh zaten die heren liever in "muijlen
en nachttabbaerten en in welgebonte rokken", dan dat ze
in "vetlaarzen gestoken op den bedreigden dijk verschijnen."
Hij beschrijft ook hoe aannemers van bedijkingen er een
potje van maken, terwijl de dijkwerkers ervandoor gaan
als ze tijdens de zomermaanden bij de boeren meer kunnen
verdienen met het binnenhalen van de oogst. Hij verhaalt
hoe aannemers dode paarden en karren begraven in het dijklichaam,
een praktijk die de dijken niet sterker maakt. Vierlingh:
"Knoop een paar van die belhamels op, de anderen zullen
zo gedwee zijn als lammeren en hun aangenomen taak afmaken."
Vierlingh heeft zijn werk niet af kunnen ronden. De dood
achterhaalde hem. Hij overleed rond 1579.
Bron: Tractaet van Dijckagie, Andries Vierlingh.
Uitgave Martinus Nijhoff, Den Haag, 1920. Beperkte heruitgave
door de Nederlandse Vereniging van Kust- en Oeverwerken
in 1973.
|
|
De
schemering
van de Schelde
Vissen naar
geschiedenis
De tijdmachine
van Kats
Iran aan de
Oosterschelde
Een wriemelend
zootje
|