|
Orisant,
Verdronken eiland in de Oosterschelde
1602-1639
Historische
roman
Door Paul de Schipper
Uitgeverij Donker, Rotterdam
Prijs
f 37,90
Te
koop bij elke boekhandel.
Lezen?
Zie het fragment onder deze pagina.
"Prachtige
stijl! ik wist niet dat die nog bestond." Atte Jongstra
in NRC Handelsblad.
"Een heerlijk boek." Bert van Leerdam, Omroep Zeeland-radio.
Rinus Antonisse in de Provinciale Zeeuwse Courant: "Het
is een educatieve manier van geschiedschrijving."
Het historisch programma OVT van de VPRO: "Orisant is opnieuw
drooggelegd. Het boek is de ontstaansgeschiedenis van Zeeland"
Jan Jansen in BN/DeStem: "Paul de Schipper heeft Orisant
opnieuw tot leven gebracht, in een vlotte bijna jongensboekachtige
stijl"
Historicus Gert Janssen in het Reformatorisch Dagblad: "Meeslepend
beschreven. Een boek dat enorm boeit en zich in een adem
uit laat lezen."
Leesfragment
Orisant, verdronken eiland in de Oosterschelde 1597,
De herders
De
zee rookt. Een
nevel wasemt uit de schorren en blijft nog uren na het eerste
ochtendlicht kleven aan het gras.
De herders van Orisant torenen omhoog uit de kille mist,
borstbeelden, bewegingloos wachtend in een witte vloed.
Ze staan daar zoals ze er altijd staan, wachtend tot het
water hen hogerop dwingt. Er is geen wind geweest.Toch komt
de vloed veel te vroeg vanmiddag. Zacht ruisend stuwt het
jonge tij de kreken binnen. Het water is rusteloos, krachtiger
dan anders. Een trage zon verdroogt de natte smoor en maakt
de wereld glazig doorzichtig. Een paar schapen mekkeren.
Goed,
de wind zat een paar dagen in de verkeerde hoek, maar toch.
Het water is bedrieglijk ver weggevloeid deze herfstdag
van het jaar 1597. Vanmorgen heel vroeg hebben de herders
nog gezongen. Vanonder de beschutting van een overhangende
rand van het schor galmden hun stemmen door het breed uitgesleten
kreekdal.
De
eerste magere zonnestraal van die dag brengt een glimlach
in deze woeste omgeving. Even krijgt het eiland kleur, een
palet van wuivend groen slijkgras en hoogten van opgestoven
geel zand, blikkeren in het laatste zomerschijnsel.
In het noorden, daar waar het eiland eindigt, houdt het
licht zich vast aan de glooiing van jeugdige duinen. Leeggelopen
greppels met bruingrijs slib littekenen het schijnbaar achteloos
neergesmeten landschap. Het is een woest land, waar alleen
vissen en vogels wonen.
'God is hier nooit geweest.'Die woorden van zijn vader staan
in de herinnering van herder Frans Coole gekerfd. Waar het
gras van het schor dunner wordt, begint de grote slijkvlakte.
Dat is het speelterrein van de zee, waar het water twee
keer per dag kan ebben en vloeien.
Meteen na die eenzame zonnestralen trekt de hemel dicht.
Het begint te waaien en de eerste wind draagt een dunne
regen mee. De herders huiveren. De winter zit de zomer op
de hielen. Ze maken zich niet ongerust. De dag is gewoon
begonnen. Ze zijn vanochtend vroeg met hun schapen het schor
ingetrokken.
Even
was er de vrolijkheid geweest van hun gezang. 'Het water
is ver weggegaan', zei Frans Coole, toen ze uit elkaar gingen
om ieder hun plek te zoeken. 'Ja, maar het kan snel veranderen.'
Het antwoord was nauwelijks hoorbaar, misschien omdat het
zo overbodig was.
Zwijgend
stonden ze, urenlang. Zo hadden hun vaderen gestaan, zo
zouden hun zonen staan. De rand van de zee, het einde van
het land, dat is hun wereld. Frans kauwt op een steeltje
zeekraal, zout op de tong, maar het beste middel tegen de
dorst. Voor zijn voeten loopt het water weg door een kletshelder
kreekje. In de verte blaft kort een schepershond. De scherpe
kreet versterft achter het gemekker van opgeschrikte schapen.
|