ORISANT home




Orisant

Het boek

Het begin

Links


Abonneer je
op de gratis
nieuwsbrief

Boeken van zelfde schrijver




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met de tijdmachine naar het oude Kats

Alsof professor Barabas de tijdmachine hanteert. En net als Suske en Wiske gaan we terug in de tijd, naar 1598. Vierhonderd jaar geleden. De drempel van de Gouden Eeuw. Nova Zembla, twee jaar voor de slag bij Nieuwpoort en de oprichting van de Verenigde Oostindische Compagnie. Maar nee, geen hoogmogende heren. Die kennen we, dankzij geschiedenisboeken, volgeschreven door professionele historici. We gaan naar de kleine Jan, de ploeteraar die met z'n blote handen Zuidwest-Nederland opbouwt. Waar was hij, verdwenen in het duister van de geschiedenis, weggemoffeld tussen de jaartallen? Niet meer, dankzij het werk van historicus: dr J.B.V. Welten, gepensioneerd tevens gepensioneerd huisarts, voorheen te Colijnsplaat.

Zeeland 1598. Een doek gaat open. Na jaren "drijvend' te zijn geweest, is Noord-Beveland weer droog. In het dorpje Catz, tegenwoordig Kats, vestigen zich de eerste kolonisten. Ze leven met elkaar als bijeengedreven aangespoelde schipbreukelingen. Ze wonen in houten hutjes met muren die "opgemetseld' zijn met leem en gedroogde koestront. Een gemeenschap van honger, pest en hard labeur, waar stank recht evenredig is aan sociale status. Kom, laten we kennis maken met de schout Bastiaen Witte, de smokkelaarster Loenken Ketelaars, de boer-herbergier-vechtersbaas Daniel de Later.

"Toen eind 1598 de bedijking was gedaan zette Bastiaen Witte voet aan wal bij het "rijsent hooft' van Catz. Het was nog maar een uiterst primitief haventje waar schepen en boten van allerlei slag af en aan voeren. Een paar duizen paarden, honderden kruiwagens, karren en dijkwerkers moesten worden afgevoerd om elders bij nieuwe bedijkingen te worden ingezet. De grond rond dat haventje moet spekglad geweest zijn, het verdere land, drassig, ziltig en zout'.

Ieder voor zich
Daar staan we dan, aan de rand van een nieuw bedijkt land. Niet alleen, want daar zijn Bastiaen Witte en z'n vrouw Leenken Leendertsdochter. Met kinderen, wat boerenspul, paarden en beesten arriveren ze op het nieuwe land, het herrezen Noord-Beveland. Het is een nog troosteloos gebied waar de karrenwielen soms tot hun assen in de modder wegzakken en waar de paardenhoeven wegglijden van de houten vlonders. Met Bastiaen Witte komen er andere pioniers. Elk voor zich bouwen ze aan hun toekomst. Zo ontstaat het dorpje Catz. Het wordt een samenleving waar liefde een luxe is en waar het vege lijf slechts gered kan worden met een levenshouding van ieder voor zich en God voor ons allen. En dat in de meest letterlijke zin.

De nieuwe bewoners binden de strijd aan met ratten en muizen, met honger en kou, tegen pest, "de heete sieckte' en dood, tegen water en vuur, tegen schout en dominee. "Voor de pestepidemie van 1603/1605 zal rentmeester Marinus Werckendet, die enkele jaren daarvoor z'n vrouw Maaijcken Cools en zeven kinderen tegelijk verloor, het eiland ontvluchten. De gevolgen van de pestepidemie voor het eiland zijn verschrikkelijk. Vele huizen zullen na 1605 leegstaan, omvergezakt, geabandonneerd, letterlijk uitgestorven. De pestlijken-ophalers hoeven de huizen waar de pest heerst niet binnen te gaan. De overlevenden uit die huizen moeten de gestorven huisgenoten voor de deur op de straat leggen'.

"Ze lezen tien boeken van collega's en schrijven met dat bronnenmateriaal een nieuw boek. Dat is levensgevaarlijk. Het kan de geschiedenis vervalsen. Toch hebben historici die neiging'. Het oordeel klinkt hard, zeker uit de mond van de niet profession- ele historicus, dr Jan Welten, de gewezen huisarts.

Hij zal de laatste zijn om te ontkennen dat de bestaande geschiedschrijving geen waarde heeft, maar zegt hij: "Het is de geschiedenis van de grote contouren, de geschiedenis van de oorzaken, de daden van de grote Jannen: van de hertog van Parma die optrekt en van Prins Maurits die slag levert. Maar wat zijn de gevolgen voor de kleine Jannen. Dat is nooit bekeken. Literatuu- r over de sociale geschiedenis van de zestiende en zeventiende eeuw is zeer, zeer schaars'.

Welten baseerde z'n verhaal op drie bronnen: de acten van de kerkeraad, schepenacten en gerechtsrollen. De schepenacten en de gerechtsrollen vond hij ondermeer bij het Rijksarchief Zeeland. De kerkeraadsstukken kwamen tevoorschijn bij een grote schoonmaak van de kerk van Colijnsplaat.

De zak van bure Toos
"Op een dag is "bure Toos' hier gekomen. Die woont aan de overkant van de straat. Ze vertelde me, dat er in de kerk ergens onderin een kast een heleboel oude boeken waren gevonden. De kerkeraad wist niet goed wat ze er mee aan moest. Op een avond zijn ze hier gekomen met een plastic zak vol boeken. Ik ben er een hele avond mee aan de slag gegaan. Later heb ik mezelf het taaltje eigen gemaakt. Ik ben naar her Rijksarchief gegaan en daar kwam ik in de schepenrollen dezelfde namen tegen en toen ontrolde zich het hele verhaal: het leven van de gewone man in de tijd van de reformatie. Dat heb ik gevonden hier in Colijnsplaat en in Middelburg in oude stukken. Niemand had er ooit in gekeken'.

Centraal in "Pioniers aan de Oosterschelde' staat de figuur van schout Bastiaen Witte. Wie was die Bastiaen Witte? Je zou hem een beroeps-bestuurder kunnen noemen, een man met vele petten. Als ouderling regelde hij geestelijke zaken, als schout deed hij notariele transacties, strafzaken en belastingaffaires. Hij is de machtigste man naast de ambachtsheer. Volgens Welten komt hij uit de kerkeraadsacta naar voren als een hardwerkend mens, die zich tegelijk ontwikkelde als een soort dorpsdespoot. Hij regelt zaken met Barbel Thonis, de hoere-moeder, wier dochter Neelken zorgt voor een opzienbarende moord. Hij krijgt het aan de stok met Jacob, de dronken smid van Kats. Jacob kan de predestinatie-leer voortreffelijk gebruiken, want behoort hij tot de uitverkorenen wier goeie plek in de hemel al vastligt. Dan kan hij immers zuipen zoveel als hij zelf verkiest. Bastiaen Witte weet alles van iedereen en heeft ook macht over iedereen.

Behoort de geschiedenis aan de grote Jan of aan de kleine Jannen? "Tot nu toe aan de grote Jannen', zegt dr Welten "maar er is een intensieve discussie aan de gang, want de heren voelen zich bedreigd door wat ook wel de narrativistische geschiedtheorie genoemd wordt, de theorie dat de "dode bladeren' uit de geschiedenis ook hun verhaal te vertellen hebben. Of het subjectief is wat gewone mensen vertellen...een secretaris beschrijft de daden van z'n meester. Dat is ook subjectief'.

Met moeite heeft Welten soms de neiging onderdrukt om zich uit te leven in beelden die verdergaan dan de vroeg-zeventiende eeuwse werkelijkheid. In een Verantwoording schrijft Welten: "Elitaire geschiedschrijving kan beter aan de val van subjectiviteit ontsnappen. De motieven van waaruit een koning, een prins, een graaf, een leider handelt, zijn in het kader van een persoonlijk machtsstreven overeenkomstig hedendaagse motieven beter te objectiveren. Dat geldt in mindere mate voor de daden en handelingen van de gewone man die zich in de dagelijkse strijd tegen honger, koude, uitbuiting en ziekten op dat omdijkte eiland van Noord-Beveland, dat veel had van een Oostindische Compagnieschip, voornamelijk liet leiden door overlevingsmotieven'.

"Een onhandelbaar, ruziŒnd, drinkend, aggressief en individualistisch volkje'. Het is deze kleine groep ruwe pioniers, zo'n negentig tot honderd mensen, waarvoor Welten liefde heeft opgevat. Maar als verhalend historicus blijft hij in z'n boek de afstandelijke toeschouwer al is het dan met een puur menselijke betrokkenheid. Mensen zijn voor hem geen statistieken, maar namen, ook al laat hij zich door de feiten leiden.

Welten: "Je moet zoveel mogelijk bij de bron blijven ook al krijg je soms de drang te gaan romantiseren. Als ik schrijf dat de paarden van Bastiaen Witte weggleden op de houten vlonders, dan hebben die vlonders er ook gelegen. Als ik het heb over de aantallen kruiwagens, dan weet ik dat er 3000 kruiwagens op het eiland zijn geweest en 1000 tot 1700 karren en dat er voor de bedijking 350.000 kubieke meter grond is verzet. Nee, d'r staat niks in, waar ik niet voor honderd procent achtersta. Ik kan de critici met de aantallen paarden en kruiwagens om de oren slaan.

De schout houdt het met 'een joncwijf'
Toch moet je uitkijken voor die subtiele grens tussen romantiseren en nuchtere beschrijving. Het is moeilijk om je te onthouden van waarde-oordelen want je bent geneigd aan de kant van die mensen te gaan staan. Vaak denk ik: had ik maar een keer kunnen ruiken aan Bastiaen Witte, zijn geur opsnuiven. Je kunt niet dicht genoeg bij die mensen komen'. Na de dood van z'n vrouw blijft Bastiaen Witte op de boerderij met zijn "joncwijf' Maeijcken. Op 27 maart 1617 wordt hij benoemd tot ouderling. Dan al zijn er aanwijzingen dat "sijn joncwijf bij hem soude swaer gaan'. Een paar weken later gaat het echt mis met de schout-ouderling. "Het zal op de avond van de tweede december de dominee niet gemakkelijk gevallen zijn om over z'n vriend het volgende te moeten schrijven: Aangezien er nu bewijs is dat Bastiaen Witte zich in hoereerderij heeft verlopen met zijn dienstmaagd, zo zal hij van het Avondmaal moeten blijven. De broederen zullen de zaak in de classisvergadering van Middelburg brengen om te zien of er geen draai aan gegeven kan worden, want Maeijcken zit met een kind. In hoeverre Bastiaen haar heeft verleid of zij hem, blijft geheim maar toentertijd was er een spreekwoord: De maagden hebben eenen zin, de weeuwen hebben den duvel in'.

Welten gebruikte voor z'n boek aantekeningen van secretaris Willem Pietersz Ketelaer die de notulen maakte van de vergaderingen van schout en schepenen. De zittingen vonden plaats in de herberg "De Weerelt', eigendom van Daniel de Later. Welten: "Hij schreef op wat hij hoorde, altijd in de hij-vorm. Maar ik ben hardstikke blij als ik uit de stukken merk dat de secretaris zat wordt, want dan gaat hij in de ik-vorm over. Dan voel je het leven zoals het zich ter plekke in die kroeg en daarbuiten heeft afgespeeld'.

"Dan kom je Loenken Ketelaers tegen, de doopsgezinde vrouw die brood smokkelde vanuit Goes. Op het eiland was de dijk de tolgrens. Brood moest gebakken worden van graan wat op het eiland geoogst was en wat bij de molen van Catz gemalen was, maar als in Goes enin Zierikzee de graanprijzen stegen, dan hielden de boeren het graan vast. Graan invoeren mocht niet, dus leede de kleine man honger. Dus wat deed Loenken? Het was een dappere vrouw. Ze weerstond het gezag van de feodale overheid en ze ging smokkelen. Later kwam het volk van Catz ook in opstand. Het was een soort broodoproer tegen de ambachtsheren. Die gingen toen door de knieen en deelden brood uit'.

Een schort vol peren
Zo is daar ook Tanne Smits, de vrouw van de schoolmeester. Uit pure nood doet ze een greep uit de armenkas en op 27 september 1601 wordt deze zondares aangetroffen in de perenboomgaard van Jacob Thonisz Swemer met haar schort vol gestolen peren. Jacob slaat haar z'n hof uit, maar verklaart later aan de broeders van de kerkeraad dat hij daar spijt van heeft. Hij wordt weer tot het Avondmaal toegelaten, maar Tanne blijft een schaap dat steeds verder van de kudde afdwaalt.

"Het is mij opgevallen dat de mensen weinig veranderen. Wij staan veel dichter bij die mensen dan we denken. De vooruitgang is tot stand gekomen door individuen, door overlevingsdrang. De mensen die daar toen op Noord-Beveland leefden en stierven waren veel individualistischer'.

Jan Welten beschrijft een kleine ge‘soleerde maatschappij achter primitieve dijken, worstelend en dikwijls bijna ondergaand. "Niets is zekerder dan de dood, niets is onzekerder dan de ure des doods', zo heette het in die dagen. We zien een maatschappij met rondzwervende soldaten, besmettelijke ziekten, voedselgebrek, willekeur en corruptie. Het zijn termen die nu dikwijls vallen als we tv-beelden zien uit Afrikaanse landen. Hier, op deze grond, waar we nu in welvaart wonen, aten de mensen zich tijdens hongersnood dood aan boombast en gras. Met "Pioniers aan de Oosterschelde' toont Welten aan dat 'ons eigen Afrika' nog maar een paar mensenleeftijden achter ons ligt. Dat is ook een besef wat je niet oppikt uit de gewone jaartallengeschiedenis. :Bastiaen Witte, de machtige, stierf in het jaar 1625 aan de pest overgebracht door knaagdieren, vlooien en de pestbacil. Met hem stierven vele anderen. Dijkgraaf Leendertsz Both begroef in de maand augustus alleen al vijf van z'n kinderen. De schout moet evenals de boer Logier Gillesz dat jaar op een nog niet afbetaald bed zijn laatste strijd gestreden hebben. Een bed dat hij op de koopdag van Jacob Marinus Bruikom in 1624 op de Goese jaarmarkt had gekocht'.Montaillou

"Pioniers aan de Oosterschelde", een Zeeuwse Montaillou? Erkende historici hebben "Pioniers aan de Oosterschelde' al vergeleken met "Montaillou', het meesterwerk van de Franse historicus Ladurie Emmanuel De Roy Ladurie bracht in Montaillou de veertiende eeuwse herders aan de voet van de Pyreneeen tot leven. Hij gebruikte als bron verslagen van inquisitie-verhoren. Dr.Jan Welten kon aan de slag dank zij de oplettendheid van "bure Toos' en de kerkeraad van Colijnsplaat.

"Montaillou, ja Montaillou', zegt Welten een beetje in zichzelf "weet je, wij Nederlanders kijken altijd naar het buitenland, maar er zijn hier ook gemeenschappen en gemeenschapjes die het verdienen om beschreven te worden zoals de herders en zoals de mensen uit Catz.

Welten produceerde met zijn "Pioniers aan de Oosterschelde' een geschreven gedenkteken voor de kleine Jannen van Catz, een spiegel van een samenleving zoals we die in onze conventionele geschiedenisboekjes niet tegenkomen. Een samenleving van mensen waarin we onszelf herkennen, mensen van vlees en bloed, mensen die worstelen met eenzaamheid, verleiding en twijfel, met het vreselijke en met het vleselijke, kortom wijzelf in al onze naakte zwakheid.

Lezen in "Pioniers aan de Oosterschelde' is net zoiets als kijken naar een video-cassette. Een zestiende-eeuws overlevingsdrama dat zich beeld na beeld voor onze ogen afspeelt. Levende geschiedenis waar geen jaartallenboek tegenop kan.


Dr. J.B.V. Welten: "Pioniers aan de Oosterschelde'. Uitg. De Bataafse Leeuw, 1991.

Dit verhaal is een bewerkte versie van een in 1991 in dagblad BN/DeStem verschenen publicatie.

De schemering
van de Schelde


Vissen naar
geschiedenis


De tijdmachine
van Kats


Iran aan de
Oosterschelde


Een wriemelend
zootje




All Rights Reserved Paul de Schipper 2000