|
De
vloek van Reimerswaal
Het verhaal van het verdronken land van Zuid-Beveland.
Als in lichte zomernachten de Oosterschelde rimpelloos glinstert,
horen oude schippers de gebeden opstijgen uit het doorschijnend
water. Dan drukken de vissen zich roerloos stil op de zeebodem
en houdt de vloed haar stuwende adem in om te luisteren.
Eens lag hier de stad Reimerswaal, de hovaardige. De zee
kwam en belegerde haar muren, zeven maal en zeven maal zeven
maal. De stad ging onder. Zo apocalyptisch kan het verhaal
van de tragische stad Reimerswaal beginnen. "Het is wonderlijk
hoe een stad die door koophandel, zeevaart en nering zo
bekend was, zo onbekend is geraakt", schreef de historicus
Jacobus Ermerins in 1785.
Aan Rijkswaterstaat waren die woorden niet besteed. De dienst
bouwde in 1978 ongeneerd een schutsluis op een van rijkste
archeologische monumenten van Nederland. Asfalt erover!
Het godsoordeel Trots heette Reimerswaal in de overlevering.
En wat trots is, deugt niet. Hoogmoed komt voor de val.
Zie je wel, zeiden de calvinistische Zeeuwen uit de zeventiende
eeuw en ze schreven hardvochtig proza over de verloren stad
in de Oosterschelde. Trots vraagt om een godsoordeel. We
schrijven 5 november 1530. Het is de dag van Sint Felix.
Deze 5e wordt de dag van de 'quade' Sint Felix. Over de
bedijkingen en heerlijkheden van Zeeland woedt een razende
noordwester. Rond negen uur `s morgens is het eb, maar de
zee is niet verdwenen. Het water staat even hoog als `bij
`t gemeen hoogh water`.
In de kom van wat we tegenwoordig de Oosterschelde noemen,
ligt de bloeiende stad Reimerswaal, een flinke handelshaven
voorzien van solide vestingwallen. Het is na Middelburg
en Zierikzee de derde stad van Zeeland. En al is de schuldenlast
groot, binnen de muren wordt driftig gebouwd. In 1520 heeft
een grote brand bijna de helft van de stad verwoest. Driehonderd
houten huizen zijn toen verloren gegaan. In de weiden en
`wilde moeren` rond Reimerswaal liggen tientallen dorpen,
soms niet meer dan een paar huizen, maar ook nederzettingen
met een eigen kerk. Over de Schelde die van Antwerpen komt,
varen rijk beladen koopvaarders met handelswaar voor de
Levant en de Oostzee. In de haven van Reimerwaal laden ze
dagelijks meekrap, die mooie rode kleurstof, waar Gentenaren
en Bruggelingen hun laken mee verven. De meestoven in de
streek rond Reimerswaal staan goed bekend en karrenvoerders
brengen krap uit heel Zuid-Beveland binnen de muren van
Reimerswaal.
De stad
Hoe ziet Reimerswaal er uit rond 1530? De ommuurde stad
kent een Grote Markt met een stadhuis. Daar vlakbij staan
de grote Petrus en Pauluskerk en het klooster van de Zwarte
Zusters. Oostwaarts ligt de havenkom, die de bebouwing doorsnijdt
en tot ver binnen de wallen loopt. Tussen de haven en het
stadhuis is het Heilig Geesthuis gebouwd. Hier wonen de
armen, de mensen die van de Heilige Geest moeten leven.
De stad verschijnt in het jaar 1230 voor het eerst in oude
stukken. Van graaf Floris V is bekend dat hij er in 1292
in onroerend goed belegt. In 1299 vergaderen graaf Jan van
Holland en de hertog van Brabant in Reimerswaal om er hun
conflicten te bespreken. In 1374 geeft hertog Albrecht van
Beieren de stad toestemming om vestingmuren te bouwen. De
handel in Reimerswaal bloeit. Sinds kerstmis 1529 heerst
de pest in de stad. Bewoners die het zich permitteren kunnen,
zijn gevlucht.
Begin november lijkt de heete ziekte uitgewoed en keren
de uitgewekenen terug naar de stad. Op de dag van `de quade
Sint Felix` spoelt het water door de straten van Reimerswaal,
maar op het eerste gezicht heeft de stad niet zoveel te
lijden. Alleen de balen meekrap die opgestapeld liggen in
de stoven bederven door het vocht. De handel lijdt ook schade,
omdat schepen in de haven los slaan en zinken en omdat kademuren
verzakken. Twee keten verdwijnen 'met man en muis' in het
gat De gevolgen voor de omgeving van de stad zijn verschrikkelijk.
TweeŚntwintig dorpen raken `drijvend`. Niet alleen Zeeland,
maar ook grote delen van Holland en Vlaanderen overstromen.
In het gebied rond Reimerswaal zijn de doden ontelbaar.
De stroom rukt houten huizen los uit de aarde.
Ze drijven eenvoudig weg. Hele gezinnen worden niet meer
teruggevonden. Hoeveel mensen er verdrinken is nooit bekend
geworden, maar de veronderstelling dat het er meer zijn
dan de 1.800 van 1953 ligt voor de hand. De gaten in de
dijken rond de stad worden overhaast gedicht met behulp
van zinkstukken en Vilvoordse steen. De stroomsnelheden
zijn echter zo groot dat de zinkstukken rond beginnen te
tollen. De Steenbergse dijkgraaf Andries Vierlingh is actief
bij het herstelwerk. Hij vertelt dat op een hoofd bij het
dorpje Kreke twee grote keten staan waarin dijkwerkers slapen.
Op een nacht zakt de dijk met keten en al in de stroomgeul.
De dijkwerkers verdrinken. Vierlingh heeft geluk. Hij slaapt
die nacht toevallig binnen de muren van Reimerswaal. De
dijkval doet in »»n keer zes weken herstelwerk teniet. De
kroniek van het klooster Paradisus Mariae, net buiten de
muren van de stad, bevestigt dat het herstelwerk traag verloopt.
Volgens Vierlingh is dat omdat de leidinggevende personen
niet in hun vette laarzen staan "maar liever dobbelen en
hun daggeld tellen." Het gat van Lodijcke In het Land van
Reimerswaal woont Adriaan van Reimerswaal, ridder van het
Gulden Vlies en heer van Lodijcke. Ook hem treft de Quade
Sint Felix.
Zijn dorp ligt halverwege Yerseke en Reimerswaal. Het is
een welvarend dorp, maar volgens de opvatting van de heer
van Lodijcke ontbreekt er nog een haven. Hij spaart kosten
noch moeite om de Staten van Zeeland en de Graaf van Holland
zover te krijgen dat hij een haven mag graven. Steeds stuit
hij op tegenstand vanwege de invloed van de steden Goes
en Reimerswaal, die wel een haven hebben, maar bang zijn
voor concurrentie. Op 5 november 1530 haast het dijkleger
zich naar de bedreigde punten. Rond het middaguur slaan
de golven over de dijk en begint de binnenkant van de zeewering
af te kalven. Boeren reppen zich naar het kasteel van de
heren om meer hulp te vragen. De zakkendragers van Reimerswaal
staan gereed om het gat te dichten. Het loopt anders. De
heer van Lodijcke waarover Vierlingh zegt: "Hij was altijd
al dwars" antwoordt hooghartig: "Ik ben van mening dat de
zee me zal geven wat Reimerswaal tot nu toe weigerde. De
zee zal voor Lodijcke een haven graven." Die middag stroomt
het losgebroken water de polders in. Pas laat die dag geeft
heer Adriaan alsnog toestemming om een nooddijk aan te leggen.
Het is te laat. Sarcastisch noteert Vierlingh: "Het havenken
schuurde zo dat de heer van Lodijcke al zijn schoon goed
verloor en het land beoosten van Yerseke erbij. Het schuurt
dagelijks nog zo hard dat het niet meer te herstellen is."
Nog voor de volgende zomer zal Lodijcke verdwenen zijn.
Na meer dan vier eeuwen heet het vaarwater er nog altijd
het Gat van Lodijcke.
De belegering door het water Voor de stad Reimerswaal is
de belegering door het water begonnen, een belegering die
een eeuw zal duren. Slechts een paar kleine polders in de
buurt blijft behouden. De stad raakt door het wegspoelen
van het achterland in een isolement. Kooplieden mijden voortaan
Reimerswaal omdat er weinig meer te handelen valt. De teelt
van meekrap gaat teloor. Aanvankelijk wordt er nog aangevoerd
van het vasteland van Zuid-Beveland. Dat gaat met veel kosten
gepaard. Ook het voedsel wordt voortaan per schip de stad
binnengebracht. En zo wordt Reimerswaal afhankelijk van
de naijverige Zeeuwse steden. Erger nog dan de teloorgang
van handel en nijverheid is het geschonden aanzien van de
stad. De rijke kooplieden die Middelburg en Zierikzee naar
de kroon trachten te steken, zien zich nu verbannen op een
steeds armoediger wordend eiland. Toch proberen ze hun stand
op te houden, maar met elke vloed wordt het verval groter.
De haring en de pastoorsmeid Twee jaar gaan voorbij. Het
wordt 1 november 1532. Het stormt hard, de voortekenen zijn
boos. In Monster, een parochie in de buurt van het huidige
Borssele, heeft de meid van de pastoor al eerder zout water
in de regenbak geproefd. Zegt het verhaal. Dan komt de dag
van Allerheiligen. In de geteisterde stad Reimerswaal zwemmen
de haringen die dag rond het altaar. Het water staat acht
voet hoog in de kerk. Zo hoog dat de eenden niet eens door
de deur naar binnen kunnen zwemmen. Binnen de muren van
de stad verdrinken tientallen mensen. Het klooster Paradisus
Mariae, net buiten de Noorderpoort, wordt totaal verwoest.
Pektonnen walmen voor Filips II In Reimerswaal gaan nering
en nijverheid verder achteruit. In 1547 meldt het stadsbestuur
dat het overblijfsel van de vroegere rijkdom nog bestaat
uit twaalf zoutketen, waarvan de beste nauwelijks tweehonderd
gulden waard zijn. Niettemin spannen de Reimerswalers zich
in om hun stad te herstellen. Ze krijgen vrijstelling van
belasting. Ook vinden ze nog tijd om uitbundig feest te
vieren. In 1549 laat de zoon van Karel V, de latere koning
Filips II zich in Reimerswaal huldigen als Graaf van Zeeland.
Op de markt walmen feestelijk de brandende pektonnen. De
mensen dansen terwijl de duivel aan hun doodskist timmert!
Lang heeft de trotse stad zich teweer gesteld tegen het
water, maar de ondergang is `in Godes raad bepaald` zo zeggen
de annalen. Stormen in 1551 en 1555 verwoesten de herstelde
dijken. Dorpen als Lodijcke, Nieuwland en Tolsende gaan
definitief ten onder. Bij elke vloed staat het water tegen
de muren van Reimerswaal. In 1557 smijt een nieuwe vloed
de wallen omver. Ook veel huizen gaan verloren.
Geen stukje bouwland is er nog over. De stad is in twaalf
jaar zes keer overstroomd. Een nieuwe brand breekt de laatste
weerstand van de poorters. Smeekbeden om financiele steun
krijgen geen gehoor De rietschoven van Meerten 'den Duyvel'
In juni 1572 plunderen de geuzen Reimerswaal. Ook daarna
komen ze regelmatig terug om spullen, vooral metaal, te
roven. De kerk moet het herhaaldelijk ontgelden. De Reimerswalers
brengen ijlings hun orgel in veiligheid. In 1573 ligt in
de stad een regiment Walen, huurlingen van de Spanjaarden.
Als in 1573 de Spanjaarden Middelburg belegeren, verblijft
een deel van de Spaanse achterhoede in Bergen op Zoom. Kapitein
Gilles de Vilain, een Spaanse aanvoerder maakt de stad Reimerswaal
zwart bij zijn superieuren. Hij doet voorkomen alsof de
burgers de koning van Spanje vijandig gezind zijn.
De Vilain is een paar mannen van zijn compagnie kwijtgeraakt.
Hij geeft de Reimerswalers de schuld. Het is een excuus
om in het land van Reimerswaal op strooptocht te gaan. Bedreigd
door losgeslagen krijgsheren proberen de burgers van Reimerswaal
hun stad te beschermen tegen die andere vijand, het water.
Een van hen is Pier Crijn. In 1573 is hij actief bij een
poging om een dijk, net buiten de stad te repareren. Op
10 oktober sjouwt Pier met een aantal helpers stenen en
krammen over de Westdijk om buitendijks de zeewering te
repareren. Pier is aannemer. Een eindje verderop loopt Lange
Meerten die ook een stuk dijkherstel toegewezen heeft gekregen.
Schipper Arent de Munck uit Bergen op Zoom brengt 1300 schoven
riet. De dijkwerkers lossen de schoven en krammen het riet
vast in de glooiing. Het riet is hen geleverd door Meerten
'den Duyvel'. Meerten wordt maanden later nog door het stadsbestuur
gemaand om de aan hem verleende vergunning voor het snijden
van het riet te betalen. Het gesjouw met riet, de pogingen
om de stad droog te houden, het dijksherstel, het zijn allemaal
achterhoedegevechten. Kort daarop staat het water weer in
de straten.
De capriolen van burgemeester Willem Jansz. Olifant Verjaagd
door de moordende plunderexpedities van de Spanjaarden vluchten
veel bewoners naar het vasteland van Zuid-Beveland en naar
Tholen. Alle activiteiten in de stad komen stil te liggen.
De huurders van de windmolen en van de watermolen kunnen
hun huur niet meer betalen. Ondertussen moet de stad her
en der steekpenningen betalen om verdere plundering af te
kopen. Dat gebeurt met vaten zout, met geld maar ook met
een schenking zalm aan de Spaanse veldheer Mondragon. Burgemeester
Willem Olifant vraagt het centraal gezag in Mechelen om
geldelijke steun. Burgemeester Olifant speelde een beetje
rare rol. Hij was 'directeur' van een transportbedrijf.
De stad was zijn beste klant. In de stadsrekening van 1573
komt hij regelmatig voor als crediteur aan wie de stad betalingen
doet voor wagen- en schiphuur en de huur van paarden. Op
1 december verschijnen de geuzen met hun schepen voor de
stad. Ze gaan aan wal en steken Reimerswaal in brand. Het
vuur laat geen huis heel en maakt dat de stad voor drie
jaar volledig ontvolkt is. Van het verpauperde volk dat
uiteindelijk terugkeert, vordert burgemeester-ondernemer
Olifant een kapitaal van 7000 Vlaamse ponden.
De stad verwijt Olifant dat hij stiekem kerk- en gildenschatten
heeft verkocht. Het draait uit op een langslepend conflict
voor het Hof van Holland waarbij Olifant zelfs het stadsbestuur
laat gijzelen en zelf maar net aan een gijzeling ontkomt.
Hij wordt uiteindelijk in het gelijk gesteld. Of hij ooit
betaald is, weten we niet. De verkoop van het puin Na 1600
is Reimerswaal niet meer dan een dorp met vervallen huizen
en ru‘nes. Op 11 juni 1626 wordt er op last van de Edelmogende
Heeren van de Staten van Zeeland `een partij schorrestenen`
ter verkoop aangeboden. Van de opbrengst moet Reimerswaal
de schulden betalen. De 'schorrestenen' zijn het overspoelde
puin van de eens zo fiere stad. Vissers bewonen de nog resterende
lage huisjes, maar sommigen wijken in de winter al uit naar
Tholen of naar Zierikzee. "Ik vond de huizen" In juli 1632
verlaten de laatste bewoners de stad. Op 15 juli maakt Melchior
Franssen de resten van muren en poorten te gelde.
De verkoping van dit puin brengt 1.000 gulden op. Kort daarop
verklaren de Staten van Zeeland de stad bankroet. Elke dag
spoelt de zee door de straten. Op de puinhopen pikken meeuwen
in het wier en tijdens warme dagen koesteren zeehonden zich
op nieuwe slikken en banken. Zoals het oerwoud vervallen
steden overwoekert, zo herneemt de zee onafwendbaar haar
verloren terrein. In 1696 is Reimerswaal nog een eilandje
met schapenweiden en steenhopen. Met de eeuwwisseling verzinkt
de ooit zo trotse stad in de geschiedenis. In junidag van
het jaar 1776 vertrekt uit de haven van Tholen een visserman
met zijn hengst. Aan boord is de nieuwsgierige Jacob Ermerins.
Hij heeft veel gelezen over de verloren stad en wil nu zelf
wel eens zien, wat er nog van terug te vinden is. Een verslag
van een van de laatste ooggetuigen die de resten van Reimerswaal
bezocht: "Ik doorwandelde de slikken en vond nog veel funderingen
van huizen. Ook van muren en van torens en ik vond de plaats
waar de kerk had gestaan. Ik zag het kerkhof en kon door
de uitstekende wortels vaststellen waar de bomen geplant
waren, keurig in een rij. Ik herkende de straten en de haven,
zag overblijfsels van rijshoofden en stompen van palen."
Rond 1950 dwalen bewoners van Zuid-Beveland over de slikken
van Reimerswaal.
Ze zoeken er de fraaie geglazuurde kloostermoppen die ooit
de huizen van Reimerswaal glans gaven. De stenen sjouwen
ze mee naar huis om er open haarden mee op te metselen.
Anno 2000 ligt Reimerswaal oneerbiedig en onbereikbaar begraven
onder de schutsluis in de Oesterdam bij Bergen op Zoom.
Van de dorpen Lodijcke, Nieuwlande en Tolsende resten nog
wat fundamenten die bij eb droogvallen. Tot begin jaren
'80 kon je daar vrij door de 17e eeuw lopen. Tussen de potscherven,
beenderen en geglazuurde kloostermoppen. Nu is het verboden
gebied. Epiloog: Zelden is een stad zo compleet en definitief
van de aardbodem verdwenen als Reimerswaal. Watervloeden,
branden en oorlogsgeweld reduceerden de stad tot stenen
en slijk. Drie eeuwen na de ondergang achterhaalde oorlogsgeweld
zelfs het archief van de zo gedoemde stad. Dat gebeurde
bij het bombardement op Middelburg in 1940. Toen verbrandde
het laatste aandenken aan Reimerswaal. Bijna! Het toeval
wilde dat de stad Tholen in die tijd een historische ge‘nteresseerde
gemeentesecretaris had: C. Hollestelle. Deze Hollestelle
heeft in 1933 de stadsrekening van 1573 van Reimerswaal
in modern Nederlands omgezet en helemaal, met de pen gekopieerd.
Het handschrift is te vinden in het Algemeen Rijksarchief
in Middelburg (inv.nr.1084).
Andere bronnen: "Enige Zeeuwse oudheden behelzende
de gewezen stad Reimerswaal". Jacobus Ermerins, Middelburg
1785. "Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland".
Prof. M.K.E. Gottschalk, Assen, 1971.
|