|
Een wriemelend
zootje
Verdronken
land indijken in de Tachtigjarige Oorlog. Hoe ging dat?
De gepensioneerde arts J. B. V. Welten uit Colijnsplaat
legde een vergrootglas op het weggespoelde, verlaten Noord-Beveland.
De Oranjes waren er de projectontwikkelaars, Westbrabanders
deden het management en rijke Amsterdammers staken er geld
in. Op een mistige februarimorgen in 1598 arriveerde de
voorhoede van een leger van 4500 droogleggers, de mutsen
diep over het hoofd, vloekend, soppend door de grillige
schorrenwereld. Welten schreef er een boek over, het laatste
deel van een trilogie.
De Delta,
eind zestiende eeuw. In het oosten, aan de Brabantse wal,
spoelt de zee haar golven tot bij Oosterhout. Steenbergen
ligt achter een gordel van schorren. De Schelde stroomt
langs het half verdronken Reimerswaal naar Antwerpen. Westwaarts
drijven Walcheren en ZuidBeveland, eilanden. Daartussen
Noord-Beveland, domein van `de openbaere see`. Het oude
eiland is in 1532 ondergegaan. Meer dan zestig jaar ligt
het voor eb en vloed. De Tachtigjarige Oorlog is een oorlog
tegen steden, schansen en kastelen. Het landschap oogt verlaten.
Hier en daar dwalen herders. Soms komen hele kudden met
hun herder jammerlijk om, verrast door een plotselinge vloed.
Op het platteland zwerven wolven. De Zeeuwse gewesten liggen
in een militair niemandsland. Alsof ze aan de Spanjaarden
niet genoeg hebben, vechten de Oranjes in dat vochtige land
onderling ook nog een erfeniskwestie uit. Prins Maurits
probeert Noord-Beveland in te pikken. Dat is een erfgoed
van prins Filips Willem, de oudste zoon van de in 1594 vermoorde
Willem van Oranje. Filips Willem zit in Spanje gevangen.
De snode Maurits vindt echter Filips` zuster Maria van Nassau
en Johan van Oldebarnevelt op zijn weg. Al op 17 mei 1594
dient Maria van Nassau een eerste verzoek tot inpoldering
in bij de Staten van Zeeland. Ze krijgt daarbij adviezen
van Dierick Heinrickx uit Steenbergen, een bekend `dijker`.
In Steenbergen woont ook Andries Vierlingh, de grote leermeester
van de latere generaties waterstaatsmensen, auteur ook van
het klassieke werk: `Tractaet van Dijkagie`.
Vierlingh, een grimmig mens, keert zich op oudere leeftijd
tegen de vriendjespolitiek bij de benoeming van de dijkgraven:
De hoge heren geven ambten aan mensen die van getijdestromen,
zeewateren of dijken evenveel weten als een zeug kennis
heeft van het eten met een lepel."
Drink
niet te slappe wijn
In de rekenkamer van de Oranjes in Delft werkt notaris Pieter
Stoffelsz van Mattemburgh, ook al uit Steenbergen. Hij is
de latere rentmeester van Noord-Beveland en administratief
steunpilaar van het geslacht Nassau. Op het kasteel van
de Oranjes in Sint Maartensdijk worden de plannen gesmeed.
Graaf Van Hohenlohe, getrouwd met Maria van Nassau, bespreekt
er de inpoldering met Dierick Heinrickx. Heinrickx, Van
Mattenburgh en Hohenlohe zijn de managers van het project.
De bijeenkomsten zijn culinair goed verzorgd. Hollanders
staan in die tijd bekend als zwelgers. Dat geeft auteur
Welten de kans een prachtige beschrijving van de Spaanse
reiziger Vazquez te citeren: Sinds de eerste bewoners is
het drinken in die gure streken een inheemse gewoonte. Om
het bloed warm te houden, schreven heelmeesters de mensen
voor niet te slappe wijn te drinken. Men kan er rijen dronken
lieden langs de straat zien slingeren. De laatste van de
rij past zo goed mogelijk op om de ruk te weerstaan en de
waggelende sliert tegen te houden. Zo gaan ze voort met
een beneveld brein, straat in, straat uit op zoek naar hun
huis. Het is een zeer koddig schouwspel hen zo langs de
weg te zien gaan."
Rauwe
Lekkerkerkers
In 1598 begint de bedijking. Welten: Het kan die dag kalm
en mistig weer geweest zijn, zoals we dat nu ook nog rond
het eiland zien. De riemen zullen zacht in het water geplonsd
hebben toen de roeiers de kreek naderden die door de landmeters
was uitgekozen als aanloophaventje." Twee weken eerder
zijn de eerste aannemers komen kijken. In het kielzog van
projectmanager Heinrickx volgen de dijkwerkers, rauwe Lekkerkerkers
en het volk uit Kinderdijk, toen al bekend als de beste
dijkwerkers. Tientallen bootjes brengen hout voor vlonders,
schoppen, palen en kruiwagens. Binnen enkele weken hebben
tweehonderdveertig aannemers drieduizend mensen op het verlaten
stuk zeeland afgezet: een ongeregelde troep van rijswerkers,
schuitvoerders en landmeters. De eerste dag bouwen ze hutten
waar ze kunnen slapen, zonder het risico dat ze direct wegspoelen.
Later komen er nog eens vijftienhonderd paardenknechts en
drieduizend paarden.
Welten: "De rust van het land, dat zestig jaar geslapen
had, was voorgoed voorbij. De dijkwerkers meldden zich bij
de kwartiermeester om hun bewijs van aanlanding te krijgen
en een voedselvoorraad voor de eerste dagen." Hij stelt
het zich voor als een mierenleger: Een gekrioel van mensen,
zoals je dat soms ziet bij dammenbouw in AziŚ, alles met
handkracht." Daartussen staat Dierick Heinrickx: Geheel
afhankelijk van eigen kunnen, de onberekenbaarheden als
windsnelheid, stromingen, de nukken van de natuur en de
zegen van God. De volgende dag begint met het afpalen van
de dijksdelen. Ieder aannemer doet tachtig meter. "Hele
kleine porties," aldus Welten, want die kerels waren
niet te vertrouwen.
Het waren koppelbazen. Konden ze ergens anders meer verdienen,
dan knepen ze er tussenuit." Het eerste werk is het
graven van een sloot en de aarde op het schor gooien. Zo
ontstaat de toekomstige binnenberm van de dijk. Dierick
weet, uit de lessen van Vierlingh, dat de dijk veertien
voet hoog moet worden. In totaal zullen de dijkwerkers 1.700.000
kubieke meter grond verzetten. Ruig volk, daarom is er Tobias
Michielsz Oostdijck, chef van de groep hellebaardiers, bijgenaamd
de Roode Roede, de eilandpolitie. Een van de ondergeschikten
van Tobias is Louwerijs Knuyt, een ongeletterde domme kracht.
We zien Louwerijs zitten; op een kist aan het haventje.
Hij is belast met een gewichtig karwei: het registreren
van de aannemers en het keuren van de paarden. Kritisch
bekijkt hij schoften en gebitten. Het schrijfwerk doet een
klerk die naast hem zit.
Tobias
de snelrechter
`s Nachts bewaakt Louwerijs de verse dijken, waar de dijkwerkers
in zomernachten liggen te rotzooien met meiden die over
het water worden aangevoerd. Hij heeft nog meer belangrijk
werk. Kijken bijvoorbeeld of aannemers geen kapotte kruiwagens
of een paardenkadaver in de dijk ingraven. Soms houdt Tobias
een snelgericht. Welten: Raakte de ware boosdoener niet
bekend, dan wees hij er soms ter afschrikking maar »»n aan.
Na snelrecht werd die dan aan een galg, midden in het schor,
opgehangen." In november 1598 ligt er een ringdijk
van 20 kilometer en kan de opbouw van het dorp beginnen:
Colijnsplaat. De eerste huizen zijn vaak nog van hout. In
de straten is het een verregende moddertroep.
Schuitvoerder Jeroniumus Cornelis wordt erop uitgestuurd
om bij het verdronken Kortgene stenen te halen, maar hij
vertikt het al na een eerste tocht. Na zes kannen bier gaat
hij weer morrend aan de slag. Zo kunnen de bewoners de eerste
klinkerstoepen leggen, als bruggetjes dwars over de straat.
De nieuwe Noordbevelanders zijn een volk van asielzoekers,
een ongeregeld zootje, nauwelijks ontsnapt aan de Middeleeuwen.
Ze zuipen, stinken en gaan al dood aan een rottend gebit.
In tijden van pest, zoals in 1605, leggen ze de lijken `s
nachts op straat. De begrafenissen gaan dag en nacht door.
De nacht wordt slechts verstoord door het gejank van een
hongerige hond. Dan is alleen de doodgraver met zijn kar
in de weer.
Mircoscoop
op de geschiedenis
Het is een volk met de rug tegen de muur, pioniers aan de
Oosterschelde, zoals Welten ze al eerder beschreef in het
gelijknamige boek. Zijn nu verschenen `Droogleggers aan
de Oosterschelde` is het derde deel over een stuk lege woestenij
in de zuidwestelijke delta. De twee eerder verschenen delen
gaan over het sociale leven in het dorpje Kats en over de
godsdienstbeleving van de nieuwe eilandbewoners.

Het speelt allemaal op Noord-Beveland, maar de trilogie
van Welten is illustratief voor het ontstaan van het zuidwesten
van Nederland. Was niet Zeeuws-Vlaanderen een archipel van
eilanden, West-Brabant een ontoegankelijk land van moerassen?
In die streken leefden mensen, zoals ze toen op Noord-Beveland
leefden. Gewoon volk, onderjannen. De meesten van hen zijn
verdwenen achter een kille mist van jaartallen en officiŚle
stukken. De verdienste van Welten is dat hij levende mensen
tevoorschijn haalt, de geschiedenis warmte geeft. Welten
vindt ze terug in de archieven van Nassau, in de acta van
de kerkeraad en in de schepenrollen. Hij houdt ons een spiegel
van het dagelijks leven voor. De simpele hellebaardier Louwerijs,
de dorstige schuitvoerder Cornelis. Het zijn mensen die
hij in zijn eigen medische terminologie `microscopiseert`
Welten schrijft mooie zinnen, nuchter ook, soms geladen
met symboliek, maar nooit met overgewicht: Nergens drukt
de zwaartekracht zo sterk op land en volk als op NoordBeveland."
Of deze: De grootste snelheid die men in die tijd bereiken
kon, was de snelheid van een goed paard." Wie het leest,
ziet een film, ruikt het zweet, leert de mensen kennen bij
hun voornaam, mooie, ruwe mensen in een vochtig land. Mensen
zo beschrijven is een kunst. Die kunst beheerst Welten.
Welten laveert behendig tussen feiten en mensen, leeft met
zijn figuren, volgt ze ook tot ver na de inpoldering, nieuwsgierig
als hij is om te weten wat er van hen wordt.
Toch stinkend
rijk
Het gaat niet goed. Economische recessie en ziekten eisen
hun tol. Dieptepunten zijn een pestepidemie in 1605 en een
hongersnood in 1609. De Amsterdamse investeerders willen
niks meer van het eiland weten, bang als ze zijn voor pestbesmetting.
Welten vond een briefje van Oldebarneveldt: "Hij liet
weten op dat moment niks nodig te hebben van het eiland."
De wind die eeuwig vanaf de Oosterschelde waait, blaast
de wrakkige, vaak verlaten huizen omver. Welten: "De
apocalyptische zwarte ruiter laat een geru„neerd eiland
achter. De helft van de mensen sterft. De overlevenden blijft
slechts de hoop op Uitverkiezing, een beter leven in het
hiernamaals. De verandering komt pas met een nieuwe rentmeester
die verder gaat met inpolderen. Dan wordt Noord-Beveland
de graanschuur die de eerste droogleggers voor ogen hebben
gehad." Een goede belegging," zegt Welten, uiteindelijk,
zeker voor de Oranjes en Oldebarnevelt. Die zijn er stinkend
rijk van geworden."
Dr. J. B.
V. Welten, Droogleggers aan de Oosterschelde, uitgeverij
De Bataafsche Leeuw, 1993.
Dit verhaal
is een bewerkte vorm van een publicatie die eerder in dagblad
BN/DeStem verscheen.
|